"In Nederland zijn we klaar met het Europese gevoel", zo beweerde talkshowgast Jack van Gelder tegenover Henri Bontenbal van het CDA afgelopen zomer. Maar is dat ook zo? Voor SEW, het Tijdschrift voor Europees en economisch recht, schreef ik een column over de afwezige rol van Europa bij de meest recente verkiezingscampagne.
Want de cijfers laten een ander beeld zien. Volgens de Eurobarometer (winter 2025) vindt 85% van de Nederlanders het EU-lidmaatschap een goede zaak, ruim boven het EU-gemiddelde van 74%. Daarnaast heeft 50% vertrouwen in de EU, en geeft een grote meerderheid aan dat de EU meer capaciteit nodig heeft om toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden. Nederlanders verwachten juist Europese oplossingen op terreinen als buitenland- en veiligheidsbeleid, energieonafhankelijkheid, artificiële intelligentie en innovatie, economische concurrentiekracht, migratie en Europese waarden en mensenrechten.
De verkiezingsuitslag, met D66, CDA en VVD als relatieve winnaars, biedt ruimte voor een constructieve Nederlandse inzet binnen de EU. Veel actuele beleidsdossiers hebben bovendien een duidelijke Europese dimensie waar aan gewerkt kan worden. Denk aan de kapitaalmarktunie, de ontwikkeling van een Europese defensie- en industriepolitiek, de versnelling van hernieuwbare energie en de inwerkingtreding van het Europees Asiel- en Migratiepact in juni 2026. Een laatste innovatief voorbeeld is de noodzakelijke introductie van het 28e regime voor startups en scale-ups: één EU-breed juridisch kader in plaats van 27 nationale systemen.
Dat deze thema's nauwelijks onderdeel waren van de campagne, laat zien dat het publieke debat achterblijft bij de mate waarin nationale politiek al is vervlochten met het Europees beleid. Het benadrukken van de Europese dimensie van onze nationale politiek blijft daarom belangrijk. Want uit cijfers blijkt dat Nederland niet klaar is met het Europese gevoel. En mogelijk zitten meer Nederlanders op discussies over Europese vraagstukken te wachten dan politici en media denken.